Vincent Kusters, bariton en Julius Drake, piano: Franz Schubert, Winterreise D911 op. 89
Gehoord: 25 februari, in de Sint Janskerk Maastricht, in het kader van ‘The art of song Maastricht’.
Foto’s: Jean-Pierre Geusens, Focuss22.nl
(Recensieversie 0.99)

Winterreise is een merkwaardig werk. Vijf kwartier lang word je ondergedompeld in vierentwintig liederen waarvan er zestien in mineur staan en waarin in feite niets gebeurt. De protagonist houdt een monologue intérieur, de gesprekken die er gevoerd worden vinden uitsluitend in zijn hoofd plaats. Hij loopt door een onherbergzaam winters landschap dat een zinnebeeld lijkt van zijn innerlijke stemming. Het verhaal gaat tegelijkertijd vooruit en achteruit: terwijl de afstand tussen de protagonist en zijn verloren geliefde steeds groter wordt, blijft hij aan haar terugdenken en in Rückblick zegt hij zelfs letterlijk dat hij terug wil keren – terwijl hij aan de andere kant weet dat zijn rijke rivaal nu in haar bed slaapt. De protagonist leeft tussen liefde en haat: hij wisselt tussen gevoelens van gekwetstheid, liefde en boosheid. Naarmate de cyclus vordert wordt dat steeds vaker depressieve berusting afgewisseld met agressie: in plaats van dat de protagonist zich langzaam weer op de buitenwereld richt, raakt hij steeds meer opgesloten in de cocon van zijn eigen ongeluk.
Je zou verwachten dat het deprimerende verhaal maar weinig mensen aantrekt, maar het tegendeel is het geval: de cyclus heeft zelfs al een keer op nummer één van de Klassieke Top 400 van NPO Klassiek (v/h Radio4) gestaan. De muziek is ijzersterk en het verhaal welbeschouwd eveneens. Dat wil allemaal niet zeggen dat het niet uitmaakt wie het werk uitvoert.

Dat begint al met de stemsoort. Het werk wordt vaak door een bariton gezongen, maar is geschreven voor tenor. Het aardige is dat iedere stemsoort er een eigen stempel op drukt. Hoe lager de stem, des te zwarter het verhaal, in grote lijnen. Bij een lage bariton of bas ligt de nadruk vaak op depressiviteit en agressiviteit en bij een tenor meer op de weemoed, het verlangen en de kwetsbaarheid.
Tot op zekere hoogte heeft iedere stemsoort echter de keuze. Iets soortgelijks geldt m.m. voor de dynamiek: de wat grotere en dramatische stemmen zullen de dramatiek van nature wat meer benadrukken, terwijl de lyrische tot zeer lyrische stemmen de kwetsbaarheid en het verlangen van nature meer aandacht geven, maar er is heel veel ruimte voor individuele keuzes. Kusters is een vrij lichte bariton maar heeft voldoende reserves om alle aspecten van het werk te benadrukken. Het bijzondere van dit concert was dat hij op zeer overtuigende, mooie en consistente manier gebruik maakte van zijn stem, waardoor het zowel vocaal als inhoudelijk een eigen karakter kreeg.
Gute Nacht
Dat begon al met de eerste zin van het eerste (en meteen ook langste) lied, Gute Nacht. Die eerste zin: ‘Fremd bin ich eingezogen, fremd zieh ich wieder aus’, is sowieso meteen een toetssteen voor een uitvoering van Winterreise. Het eerste deel van de zin bevat een vrij neutrale mededeling, maar het tweede volstrekt niet en in de combinatie van die twee wordt het drama samengebald. Het is duidelijk dat die twee zinsdelen niet hetzelfde kunnen worden gezongen. Maar het woord ‘Fremd’ staat beide keren halverwege de laatste tel van de maat, dus op een plaats waar het geen accent verdient en het eerste ‘fremd’ ligt vrij hoog. Gelukkig was het voor Kusters geen probleem om het eerste ‘fremd’ geen onverdiende aandacht te geven. Maar aan de andere kant staat de laatste noot op het woord ‘aus’ weliswaar op de eerste tel, maar ook op de tonica/grondtoon, waar een frase naartoe beweegt. Kusters loste het probleem op door het tweede ‘fremd’ een net niet te sterk accent te geven en de rest van de frase rustig te laten eindigen.

Menige lagere bariton grijpt iedere kans aan om in de lage noten in Winterreise te laten horen hoeveel basfundament hij heeft. Zo ook bij het woord ‘aus’ aan het eind van deze frase. Dat zou hier misplaatst zijn, maar het is hoe dan ook vaak misplaatst bij Schubert. De harde passages in Winterreise zijn ook nooit laag. Bij het (overigens óók heel mooi gezongen) Der Lindenbaum zie je dan ook dat ‘Der Hut flieg mir vom Kopfe’ (hoog) forte staat in de begeleiding terwijl na een decrescendo bij de laatste noot ‘piano’ staat. Kusters iets lichtere stem helpt hem met andere woorden om Winterreise zo te zingen zoals Schubert hem geschreven heeft. Hij is vocaal min of meer gedwongen om de lage noten niet te forceren en zo krijgen ze vanzelf de juiste uitdrukking. Daar waar het echter nodig was, wist hij echter overtuigend dramatiek en volume op te bouwen, mede door het kiezen voor vrij sterke aanpassing van klinkers.
Aan de andere kant is Kusters stem heel goed geschikt om vooral met het hoge register gevoelige accenten te plaatsen. Kusters Winterreise was mede daardoor (maar natuurlijk ook door zijn interpretatieve keuzes) vocaal beheerst, steeds mooi van toon terwijl er meer dan voldoende accenten werden gelegd: er werd een heel duidelijk – en eigen – verhaal verteld. Daarin speelden boosheid en ironie geen grote rol, passend bij Kusters’ (stem)karakter. Er was wel veel ruimte voor andere gevoelens, waarbij de depressiviteit van de protagonist tegelijk iets schrijnends en weemoedigs kreeg. Dat gaf het concert meteen ook een heel eigen charme.
Drake
Voor Julius Drake gold dat zo je wil in nog sterker mate. Hij toonde zich in de eerste plaats de ideale begeleider, die altijd precies in balans was met het volume van de zanger en – belangrijker nog – als het ware met Kusters stem sprak. Aan de ene kant kon je overal horen hoe hij (vooral in de rechterhand) steeds kleine accentjes zetten en de details in de partituur benadrukte, maar aan de andere kant was dat in perfecte harmonie met de manier waarop hij Kuster volgde en ondersteunde. Opvallend was hoe hij in de rechterhand de allerhoogste noten vaak een belangrijke rol gaf, daarbij een klankkleur producerend die heel fraai harmonieerde met die van Kusters. (In zijn opname met Finley bijvoorbeeld, doet hij dat anders.) Dat leverde niet alleen een mooie balans, maar ook veel mooie details op, zoals bij Die Krähe en Irrlicht. Maar Drake was ook niet bang om in het midden-laag, op plaatsen waar hij Kusters niet in de weg zat, forse accenten te zetten. Dat kon je goed horen in Der greise Kopf bij het herhaalde ‘wie weit noch bis zur Bahre’ (hoe ver nog tot de lijkbaar). Sowieso is dat een indrukwekkende passage omdat de piano de zangstem één respectievelijk twee octaven lager echoot, daarmee de onheilspellende tekst benadrukkend. Maar Drake speelde zijn dissonant(en) gemeten aan het ‘piano’ in de partituur juist relatief hard, wat bij sommige leden van het publiek het idee opriep dat er iets niet in orde was. Dat klopte in zekere zin natuurlijk ook: hier spreekt Schubert voor het eerst onrustbarend direct de doodswens van de protagonist uit.

Het meest opvallend waren echter zijn hogere noten. In Frühlingstraum speelde hij in de langzame 2/4-gedeelten de de hoge achtsten in de rechterhand opvallend zacht en subtiel. Daarbij benadrukte hij juist de allerhoogste nootjes in de akkoorden benadrukkend, wat precies paste bij de stemming die Kusters uitdrukte. Sowieso was dat een van de hoogtepunten van deze Winterreise. Niet zozeer om de redenen waarom hij nu eenmaal een favoriet is van het publiek, al vanaf de eerste uitvoering voor Schuberts vrienden, maar omdat Kusters op tenorale wijze erin slaagde de kwetsbaarheid te benadrukken. Op sommige momenten leek Drake Kusters’ interpretatie bijna beter aan te voelen dan de zanger zelf.
Julius Drake koos bij Mut en Der Leiermann namelijk de tenor-ligging. Dat was waarschijnlijk in overeenstemming met Schuberts wensen, want beide liederen zijn in het handschrift een noot hoger genoteerd. De hogere ligging van die twee liederen was een gouden greep. Daardoor klonk het einde alsof de protagonist zich al een beetje van het leven had losgemaakt. Met het mooie messa di voce op het laatste vragende woord ‘gehen’ sloot Kusters de cyclus met het juiste gevoel af.
De door de hogere ligging ontstane klank paste ook heel goed bij Kusters’ opvatting over de protagonist: die pleegt naar zijn mening geen zelfmoord. In Kusters visie blijft de protagonist eeuwig hangen tussen tussen hemel en hel, in een soort eeuwig vagevuur, tussen zelfmoord en verder leven, zonder dat er ooit een verlossing komt. (Binnenkort publiceer ik een interview met hem.)
Heeft hij daarin gelijk? Dat is moeilijk te zeggen, want niemand weet helemaal zeker hoe Schubert de tekst interpreteerde. Het laatste woord van de zangstem ligt op een kwint en daarmee blijft de vraag (zal hij meegaan met de dood?) onbeantwoord, terwijl de piano daarna ook geen definitief antwoord geeft. Muzikaal heeft Kusters echter zeker gelijk, want aan het eind klinken stemkleuren die de sfeer van zijn Winterreise perfect afsluiten. Die kun je dan weer naar eigen goeddunken interpreteren, en zo is iedereen tevreden. Dat waren het publiek en uw recensent zeker en het duo werd beloond met een lang en enthousiast applaus. Wél pas na de stilte die aan het eind van iedere geslaagde Winterreise laat horen dat de uitvoerenden erin geslaagd zijn Schuberts (en Müllers) gevoelswereld indrukwekkend dicht bij de luisteraar te brengen.
